Garage Roger en zonen

Genomineerd voor de shortlist van De grote Lowlands schrijfwedstrijd. 
Gepubliceerd in e-book door Nijgh & Van Ditmar.

 

Ik wou dat ik zijn grijze stoppelbaard kon aftasten met mijn vingertoppen. Hier en nu. Hem zo kon lezen. Stoppel per stoppel zijn jaren kon tellen zoals je de ringen van een gevelde boom telt. Zijn naam is Roger, hij is mijn garagist, er bestaat geen man aantrekkelijker dan hij. Zijn haren zijn dun en grijs. Zijn oren gigantisch. Zijn gestalte loopt gebukt onder de vele jaren die hij met zich meedraagt. Hij is ver boven de pensioengerechtigde leeftijd, verwekte tal van en zonen om zijn zaak over te nemen. Toch schuifelt hij nog dagelijks rond in zijn imperium van benzinegeur en autobanden. Hij streelt liefkozend het reliëf van deuken in het carrosserie. Hij krikt auto’s omhoog, gewoon om het geluid te horen van banden die de grond loslaten.
Hij vertelt het me wanneer ik hem voor het eerst ontmoet, hier, in zijn garage. Ik heb een platte band en een probleem met mijn verwarmingselement, hij heeft een zwaar dementerende vrouw en walgt van zijn voorverpakte eenpersoonsmaaltijden. Voor we het weten wisselen we tips en empathie uit. Nooit met een platte band blijven rondrijden. Altijd meegaan in de wanen van de dementerende.

Roger en ik, het klikt meteen. We zitten samen aan de ronde tuintafel die voor wachtende klanten in de garage staat. De witte stoelen en het plastieken tafellaken met bloemenpatroon: het past hier niet. Er staat een automaat met warme dranken op het kastje tegen de muur. Instant tomatensoep, kervelsoep, koffie en koffie verkeerd aan vijftig eurocent per bekertje. We drinken dat laatste, op zijn kosten, en praten over de oorlog, over hoe de tijd genadeloos snel toeslaat. Zijn vrouw, zegt hij, hij ging haar deze ochtend bezoeken in het bejaardenhuis. In de sporttas naast het kastje zitten pantoffels en een vieze nachtjapon, zegt hij. Haar ogen staan vaag en ze groet hem enkel uit beleefdheid, zegt hij. Ze knikt hem zuinig toe, zoals ze vroeger knikte naar vreemden in de straat. Toch bezoekt hij haar elke dag. Hij vertelt het me met de nuchtere eerlijkheid van een bejaarde mens. Dat soort mens die wekelijks de balans van zijn omgeving moet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort mens die eindelijk de pijn van het groeien aanvaardt, om dan het ongemak van krimpen te leren kennen.

Hij laat me raden naar zijn leeftijd. Driedubbel de mijne, dat ben ik zeker. Ik zeg zeventig.
Hij zegt neen.
Ik vraag vijfenzeventig.
Neen, zegt hij opnieuw.
Hij glundert. Zijn ogen zijn grijs en liggen diep in zijn oogkassen. Vierentachtig, zegt hij, trots. De eerste honderd zijn de moeilijkste, zegt hij. Hij knipoogt, lacht, en ik dan ook. Hij vraagt of ik alleen ben, ik zeg ja. De jonge mannen van deze generatie, zegt hij, dat hij ze niet begrijpt. Als hij jonger was, zegt hij, dan, ach, meisje, hij en ik, en ik bloos, zeg bedankt. Ik aanvaard een compliment enkel wanneer het uit de mond van deze oude man komt. Ik hou ervan: de bijna vaderlijke manier waarop hij zijn oppervlakkigheid vakkundig in mooie woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn troebele ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woedde.

Een van de zonen werkt aan mijn auto en Roger schuift zijn witte tuinstoel wat dichter naar me toe. Dat is mijn jongste, zegt hij. Ik schat de zoon nog steeds tien jaar ouder dan mij. Hij is voorzien van een typisch garage-blauwe overall en heeft slordig geplaatste tattoos op zijn arm. Roger kijk samen met mij naar zijn telg, wacht tot die zich onder mijn auto schuift, grijpt dan mijn hand vast. Ze zijn verrassend zacht voor de handen van een garagist. Hij brengt zijn gezicht dichter bij het mijne.
Dit moeten we vaker doen, fluistert hij. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus en ik vraag het me af. Of het het nestelen van de dood is dat ik nu inadem. En als dat zo is, hoe zou het zijn om met hem te vrijen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik.
Ja, fluister ik terug. Moeten we doen. We kijken beiden schichtig naar het paar voeten onder mijn auto. Roger glimlacht, staat moeizaam recht, gebruikt mijn hand als steun.
Hoe oud ben ik, vraag ik nog snel.
Zevenentwintig, zegt hij.
Dan schuifelt hij naar mijn auto toe, klopt die liefkozend op de kofferbak voor hij naar buiten verdwijnt. Verdomme, denk ik, ouwe vos. Hij heeft gelijk. Ik verjaarde gisteren. Ik tintel.

Ik tintel want ik zie het al voor me. Hoe we afspreken aan een eetcafé. Een bruin eetcafé, waar de stoelen kraken zoals de gewrichten van mijn toekomstig geliefde dat doen. Waar de muziek uit een oude grammofoon komt. Hoe hij zijn arm in de mijne haakt, zijn vals gebit bloot lacht en me als een vers geschoten kermisprijs door het etablissement paradeert. Zijn hoffelijkheid zal soepel afwisselen met schunnige opmerkingen en knipoogjes. Ik ben het zeker: hij is een meester‐ verleider, heeft dan ook al meer dan tachtig jaar ervaring.
Roger en ik. Ooit, als het leven ons zo gunstig is, bezoek ik hem ook elke ochtend. Roger en ik, we worden een powerkoppel. Ik duw zijn rolstoel voort wanneer hij niet meer kan wandelen. Wanneer hij aandoenlijk schudt en beeft, hij zijn koffie enkel gemorst naar zijn dunne lippen kan brengen, hij al lang niet meer kan sleutelen aan mijn auto. Ik zal hem liefhebben. Zoals je enkel een minnaar liefhebt. Ik zal hem verschonen wanneer het nodig is, zijn billen zorgzaam poederen, er een kus op planten voor ik een droge luier over zijn enkels, langs zijn magere kuiten rond zijn billen trek. Weet je nog, zal hij zeggen, die keer met onze Marcel, en hij zal verhalen vertellen over zijn zonen, hij zal me aanspreken alsof ik zijn eerste vrouw ben, zijn eerste vrouw die al lang wegkwijnde en ik zal knikken: ja, ja, ik weet het nog. Ik zal haar kleren dragen om hem te plezieren. Haar paarse schorten, haar sandalen met klittenband al zijn die drie maten te groot. Ik zal haar kant van het bed beslapen.

Zijn stem. Ik wil zijn zachte stem dicht tegen mijn oor hebben. Ik wil hem zien, voelen, dagelijks. Dus wanneer zijn zoon mij de sleutels van m’n auto overhandigt en ik betaal, laat ik mijn geldbeugel liggen aan de kassa. Maar dat is niet genoeg, besef ik wanneer ik naar huis rij. Mijn gespeelde vergetelheid kocht me amper vijf minuten extra bij de man waar ik van hou. Ik moet er langer kunnen zijn. Meer kunnen komen. Dus trek ik de blootliggende bedrading onder mijn stuur los. Er gebeurt niets. Het is niet genoeg. Ik duw mijn voet op het gaspedaal. Rij vijftig, zestig, zeventig, stuur me dan tegen het eerste paaltje aan dat ik zie. De airbag klapt niet open, mijn kaak landt tegen mijn stuur. Ik smaak bloed. Mijn motorkap is geplooid. Ik smaak overwinning. Ik schakel mijn auto uit, bel naar Rogers garage en vraag een takelwagen.
Neen, zeg ik wanneer een van de zonen het voor de derde keer vraagt, neen, ik hoef geen ziekenwagen. Rij me maar gewoon naar de garage, samen met mijn auto.
Dan strompel ik uit de takelwagen. Dan geef ik de autosleutels aan de zoon. Dan zeg ik oeps tegen Roger, die me traag maar vastberaden naar de ronde tuintafel leidt en mijn bloeden stelpt met een stuk staalwol. Hij gaat bij me zitten met nog een koffie verkeerd en ik zeg het. Ik zeg het want deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik wil al zijn verhalen gretig opzuigen. Ik wil aan zijn lippen hangen. Ik wil luisteren naar alles wat hij te zeggen heeft want er is weinig dat me meer roert dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Ik zeg Roger. Laten we morgenmiddag iets eten, jij en ik, in brasserie Het Hoekje. En als het even kan, ook de dag erna.