Geval

De man viel uit de lucht op het voetpad, net voor mijn winterschoenen. Ik zou je niet kunnen zeggen wat ik eerder deed, die dag, of erna. Maar vraag je me hoe de man toen landde, ik vertel het je in detail. Hij leek van hoog te vallen en eerst raakten zijn voeten de grond. Daarna zijn benen en zijn romp. Zijn armen rolden zich uit als twee dikke touwen en dan pas sloeg zijn hoofd tegen het beton voor mijn schoenen. Ze waren nieuw. Het was nog geen winter maar ik draag mijn aankopen graag meteen.

De man keek me aan, niet vragend of verbaasd, eerder vaststellend. Dus ik keek terug. Een rood stroompje ontsprong uit zijn neus en vormde een snel groter wordende plas rond zijn hoofd. Even leek ik de grip op mij boodschappentas te verliezen, maar ik besloot me te vermannen. Ik hield de tas zo hard vast dat mijn vingers er wit van werden. Net als hem leek ik me sinds zijn val ook niet te kunnen bewegen. Hij was lang, ik schatte hem een meter zevenentachtig. Hij was slank en droeg een lichtblauw geruit hemd met korte mouwen. Misschien was hij ergens begin de dertig. Hans, dat zou een goeie naam zijn voor hem. Ik moest lachen. Ja, hij was ontegensprekelijk het schoolvoorbeeld van hoe een Hans er uit zag.

Terwijl wij elkaar aankeken sprongen mensen van hun fiets, kwamen ze uit hun café of auto of kantoor. De eerste die ons bereikte was een man met een bruine aktetas en een dikke snor. Hij had zich tussen ons in geknield, en zo het oogcontact verbroken. Daarna kwam een vrouw aangelopen. Ze was overstuur, knielde aan de andere kant van Hans en nam een van zijn touw- armen vast. Niet veel later verdween hij volledig uit het zicht. Mensen cirkelden als roofvogels rond het tafereel. Ik bleef staan.

Ik glimlachte nog steeds toen de dikke man met de snor naar de toesnellende ambulance zwaaide. Een ook wanneer Hans bedekt werd met een wit doek. De politie kwam, ik glimlachte, de mensen dropen af. Een ambulancebroeder wandelde naar me toe, legde zijn hand op mijn schouder. ‘Alles goed mevrouw?’ vroeg hij.
‘Mijn boodschappentas is zwaar,’ zei ik. Ik knikte hem toe en wandelde naar huis.

Hans was al gestorven tijdens het vliegen. Een groene Volvo had hem van zijn fiets geschept. Hij was met zo’n snelheid de lucht in geramd dat het leek alsof de auto een op zichzelf rijdende fiets had geraakt. Hans was zo hoog gevlogen, dat alles even stil had gestaan. Dat iedereen zoekend naar de lucht tuurde en de straat afspeurde tot hij tien meter verder neerkwam, net voor mij. Ik had het de volgende dag in de krant gelezen. Ik had bloed in mijn boodschappentas gevonden, op de wortelen en het brikpak volle melk. Ik had het afgespoeld en er puree mee gemaakt. De aardappelen moesten al een tijdje opgebruikt worden. Pas toen ik het artikel in de krant las, huilde ik. De man heette Jeffrey. Hij had Hans moeten heten. Ik snoot mijn neus. Ik moest me vermannen. Ik draaide de pagina om en begon aan het kruiswoordraadsel.

Chlamydia

Ik zit bij de dokter omdat ik hoop dat ik chlamydia heb. Het is druk in de wachtzaal, alle stoelen zijn bezet. Een klein kind heeft een oorontsteking. Dat weet ik omdat het onophoudelijk huilt. En ook omdat de moeder zei: ze heeft een oorontsteking, het spijt me. Ze zei het tegen niemand in het bijzonder. Maar omdat ik als enige knikte, leek het naar mij gericht. Een man heeft buikgriep want hij liep al driemaal naar het toilet op de gang. Ik vraag me af of de poetsvrouw van de dokter vaker ziek wordt dan het gemiddelde of net een beter immuunsysteem heeft. Ik zou het aan de dokter kunnen vragen, straks. Al weet ik niet of dat gepast is in deze drukte. Maarten zou zeggen dat ik haar tijd niet moet verspillen. Maar Maarten is er niet bij vandaag.

Hij maakte het onlangs uit op de meest georganiseerde manier denkbaar. Hij nam een dag verlof om onze flat te poetsen toen ik op het werk zat. Alles kreeg een beurt. De badkamer, woonkamer, slaapkamer. Hij waste alle kasten uit langs binnen en ordende ze: zijn spullen schoof hij naar links, mijn spullen naar rechts. Wat hij niet meer moest hebben, bracht hij die dag nog naar het containerpark. Hij hoefde enkel nog zijn verzamelde spullen in dozen te steken en dan kon hij weg. Hij kookte spaghetti met extra gehakt, mijn favoriet. We dronken een glas wijn in de zetel en dan zei hij het.
Amarylis, zei hij. Ik wil niet meer met je samen zijn.
Ik had net mijn glas aan de lippen, dronk het verder en verder uit om toch maar niets terug te hoeven zeggen.
Ik wil dit zo sereen mogelijk doen, zei hij. Hij haalde een lijstje uit zijn broekzak en somde op waarom hij niet meer van me hield. Ik was te weinig thuis, zei hij, ik at te veel snoep, hield te weinig van kinderen, was lui, kon erg dramatisch doen en het was flauw dat ik dit alles op mijn horoscoop stak. Hij was te ambitieus voor mij, ging hij verder, was te netjes voor mij, had zich al maanden geërgerd aan me, wou een vrouw die echt bij hem paste. Hij vertelde me dat hij al verhuisdozen had gekocht en ze zou vullen in de ochtend. Als alles volgens plan verliep, zou hij tegen de middag de flat uit zijn. Hij had een kamer gevonden aan de andere kant van de stad en zou de huur van onze flat tot de opzegperiode helpen betalen. Toen dronk hij zijn glas leeg, stond hij op en zei hij: ik slaap vanavond bij mijn moeder, ik zou graag hebben dat je hier morgenochtend niet bent. Heb je nog iets toe te voegen, vroeg hij. En alles verliep zo officieel dat ik enkel kon denken aan hoe mijn baas met die zin vergaderingen afsloot, dus ik zei: neen.
Goed, zei hij. Ik denk dat je het ook wel aan voelde komen, zei hij.
En ik dacht: neen. En die avond dronk ik de rest van de fles leeg terwijl ik vol ongeloof alle kasten open trok. In de badkamer was mijn rechterkant overheersend. Tegenover mijn zalfjes, balsems, dag- en nachtcrèmes, gezichtsmaskers, shampoos, conditioners en wasstrips voor lichaam en aangezicht lagen er links enkel een tandenborstel, scheermes, scheerschuim en aftershave. In de keuken was het omgekeerd. Rechts stonden wat wijnglazen, twee borden en een mixer. De rest stond links. Hij had zijn borden en glazen gebruikt voor ons laatste etentje, viel me op. Ik waste ze af en zette ze aan zijn kant.

Ik voel me niet alsof ik chlamydia heb en daarom is mijn hoop groot. Ik had het als student eens opgedaan op reis en toen voelde ik ook niets. Een slordige kamer, een matras op de grond en een gescheurd condoom. Meer had ik niet nodig om het op te lopen, toen. Ik lag de hele nacht wakker, ging in mijn hoofd na hoe strikt ik mijn anticonceptie pillen had geslikt. Ik nam ze die week soms ‘s morgens maar soms ook pas ‘s middags. Ik dacht aan hoeveel ziektes zich op dat moment in mijn lijf aan het vermenigvuldigen waren, en of de cellen die een baby vormen zich al aan het splitsen waren en als hier een kind uit zou komen of ik het dan Portugees zou moeten leren, want daar lag ik, op een matras in een kamer naast een onbekende Portugees die wel de slaap kon vatten. Ik kocht in de ochtend een noodpil en zag de Portugees nooit meer terug. De chlamydia werd pas ontdekt na de reis. De studentendokter telefoneerde me na enkele testen en sprak een bericht in op mijn voicemail:
Dag Amarylis. Je test op alles negatief, behalve op chlamydia. Bel je me even terug?
Ze was een Nederlandse, de studentendokter, sprak chlamydia uit op een manier die ik nog nooit had gehoord. Het maakte de ziekte exotischer, zorgde ervoor dat het klopte. Ik kreeg een voorschrift, nam een pil, alles was weer normaal.

Maarten zag me de avond dat hij het uitmaakte voor het laatst.
Hij zei: het ga je goed, gaf me een kus op mijn wang en vertrok.
In de ochtend ging ik in het koffiehuis aan de overkant van ons flatgebouw zitten en zag door het raam hoe hij alles in een witte bestelwagen stak. Ik wenste dat ik hem kon betrappen op hoe hij iets dat hij van mij mee nam. Dan was ik de straat over gestormd en had ik gezegd:
wat denk je wel dat je doet,
en hij zou zeggen: ik wou een aandenken,
en ik zou zeggen: blijf, dan hoef je geen aandenkens,
en hij, na even twijfelen: ok.
Maar hij leek niets van me mee te nemen. Het duurde amper drie cappuccino’s en een verse muntthee om zich uit mijn leven te verwijderen.

Ik telefoneerde hem die week driemaal per dag. De laatste keer stuurde hij me een berichtje. Dat hij mijn nummer ging blokkeren, dat ik hem moest mailen als er iets dringends of ergs was. Er was niets dringends, dacht ik. Gemis is eerder dwingend dan dringend, eerder pijnlijk dan erg. Dus ik dacht aan dingen die wel dringend of erg zouden zijn voor hem. Een zwangerschap, dacht ik, maar we hadden al maanden niet gevreeën. Een kind was onmogelijk. Toen dacht ik: ziektes. Die zijn erg en dringend. Maar buiten de kwalen die zich hadden aangeboden bij het vertrek van Maarten, voelde ik me ok. Ik had me zelden ok gevoeld wanneer ik ziek was, dacht ik. Tenzij die keer dat ik chlamydia had.
Chlamydia. Dat zou mijn redding zijn. Had ik het, dan had hij het ook. En had hij het, dan zou hij het van iemand anders gekregen hebben. Dat was erg voor mij. Dat was dringend voor hem. Hij zou me opbellen om meer informatie te vragen. Ik zou hem overtuigen terug te komen. Ik zou zeggen: ook wij zijn te genezen. Dus ik trok mijn slip uit en inspecteerde mijn vagina met een spiegeltje. Er was geen uitzonderlijke roodheid, geen zweertjes of blaasjes, alles zag er normaal uit. Perfect, dacht ik. Zo was het ook de vorige keer toen ik chlamydia had.

Dus nu zit ik bij de dokter.
Ik zeg: ik denk dat ik chlamydia heb.
Zij zegt: waarom denk je dat.
Ik zeg: omdat ik het niet voel. Ze fronst.
Mijn vriend heeft het uitgemaakt, zeg ik. Nu knikt ze begrijpend. Misschien proberen veel meisjes contact op te nemen met hun ex- vriend door middel van chlamydia. Ze neemt een uitstrijkje, laat me in een potje plassen en zegt: als je chlamydia hebt, zullen de resultaten van deze stalen positief terugkomen.
Ik zeg: ik hoop er op. Ze fronst opnieuw en dan is het aan de man met de buikgriep, ik zie het wanneer ik naar buiten wandel. Ik vergat de dokter naar haar poetsvrouw te vragen, besef ik.

De dokter belt me twee dagen later op. Ik sta in de Ikea op de keukenafdeling. De glazen en borden in de toonzaal keukenkasten staan netjes gesorteerd per soort, niet per eigenaar.
De dokter zegt: goed nieuws, je hebt geen chlamydia.
Ik hang op en huil. Een verkoper komt naar me toe en vraagt of alles ok is.
Hij vraagt: kan ik je met iets helpen.
Neen, zeg ik, alles is goed.

Garage Roger en zonen

Genomineerd voor de shortlist van De grote Lowlands schrijfwedstrijd. 
Gepubliceerd in e-book door Nijgh & Van Ditmar.

 

Ik wou dat ik zijn grijze stoppelbaard kon aftasten met mijn vingertoppen. Hier en nu. Hem zo kon lezen. Stoppel per stoppel zijn jaren kon tellen zoals je de ringen van een gevelde boom telt. Zijn naam is Roger, hij is mijn garagist, er bestaat geen man aantrekkelijker dan hij. Zijn haren zijn dun en grijs. Zijn oren gigantisch. Zijn gestalte loopt gebukt onder de vele jaren die hij met zich meedraagt. Hij is ver boven de pensioengerechtigde leeftijd, verwekte tal van en zonen om zijn zaak over te nemen. Toch schuifelt hij nog dagelijks rond in zijn imperium van benzinegeur en autobanden. Hij streelt liefkozend het reliëf van deuken in het carrosserie. Hij krikt auto’s omhoog, gewoon om het geluid te horen van banden die de grond loslaten.
Hij vertelt het me wanneer ik hem voor het eerst ontmoet, hier, in zijn garage. Ik heb een platte band en een probleem met mijn verwarmingselement, hij heeft een zwaar dementerende vrouw en walgt van zijn voorverpakte eenpersoonsmaaltijden. Voor we het weten wisselen we tips en empathie uit. Nooit met een platte band blijven rondrijden. Altijd meegaan in de wanen van de dementerende.

Roger en ik, het klikt meteen. We zitten samen aan de ronde tuintafel die voor wachtende klanten in de garage staat. De witte stoelen en het plastieken tafellaken met bloemenpatroon: het past hier niet. Er staat een automaat met warme dranken op het kastje tegen de muur. Instant tomatensoep, kervelsoep, koffie en koffie verkeerd aan vijftig eurocent per bekertje. We drinken dat laatste, op zijn kosten, en praten over de oorlog, over hoe de tijd genadeloos snel toeslaat. Zijn vrouw, zegt hij, hij ging haar deze ochtend bezoeken in het bejaardenhuis. In de sporttas naast het kastje zitten pantoffels en een vieze nachtjapon, zegt hij. Haar ogen staan vaag en ze groet hem enkel uit beleefdheid, zegt hij. Ze knikt hem zuinig toe, zoals ze vroeger knikte naar vreemden in de straat. Toch bezoekt hij haar elke dag. Hij vertelt het me met de nuchtere eerlijkheid van een bejaarde mens. Dat soort mens die wekelijks de balans van zijn omgeving moet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort mens die eindelijk de pijn van het groeien aanvaardt, om dan het ongemak van krimpen te leren kennen.

Hij laat me raden naar zijn leeftijd. Driedubbel de mijne, dat ben ik zeker. Ik zeg zeventig.
Hij zegt neen.
Ik vraag vijfenzeventig.
Neen, zegt hij opnieuw.
Hij glundert. Zijn ogen zijn grijs en liggen diep in zijn oogkassen. Vierentachtig, zegt hij, trots. De eerste honderd zijn de moeilijkste, zegt hij. Hij knipoogt, lacht, en ik dan ook. Hij vraagt of ik alleen ben, ik zeg ja. De jonge mannen van deze generatie, zegt hij, dat hij ze niet begrijpt. Als hij jonger was, zegt hij, dan, ach, meisje, hij en ik, en ik bloos, zeg bedankt. Ik aanvaard een compliment enkel wanneer het uit de mond van deze oude man komt. Ik hou ervan: de bijna vaderlijke manier waarop hij zijn oppervlakkigheid vakkundig in mooie woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn troebele ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woedde.

Een van de zonen werkt aan mijn auto en Roger schuift zijn witte tuinstoel wat dichter naar me toe. Dat is mijn jongste, zegt hij. Ik schat de zoon nog steeds tien jaar ouder dan mij. Hij is voorzien van een typisch garage-blauwe overall en heeft slordig geplaatste tattoos op zijn arm. Roger kijk samen met mij naar zijn telg, wacht tot die zich onder mijn auto schuift, grijpt dan mijn hand vast. Ze zijn verrassend zacht voor de handen van een garagist. Hij brengt zijn gezicht dichter bij het mijne.
Dit moeten we vaker doen, fluistert hij. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus en ik vraag het me af. Of het het nestelen van de dood is dat ik nu inadem. En als dat zo is, hoe zou het zijn om met hem te vrijen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik.
Ja, fluister ik terug. Moeten we doen. We kijken beiden schichtig naar het paar voeten onder mijn auto. Roger glimlacht, staat moeizaam recht, gebruikt mijn hand als steun.
Hoe oud ben ik, vraag ik nog snel.
Zevenentwintig, zegt hij.
Dan schuifelt hij naar mijn auto toe, klopt die liefkozend op de kofferbak voor hij naar buiten verdwijnt. Verdomme, denk ik, ouwe vos. Hij heeft gelijk. Ik verjaarde gisteren. Ik tintel.

Ik tintel want ik zie het al voor me. Hoe we afspreken aan een eetcafé. Een bruin eetcafé, waar de stoelen kraken zoals de gewrichten van mijn toekomstig geliefde dat doen. Waar de muziek uit een oude grammofoon komt. Hoe hij zijn arm in de mijne haakt, zijn vals gebit bloot lacht en me als een vers geschoten kermisprijs door het etablissement paradeert. Zijn hoffelijkheid zal soepel afwisselen met schunnige opmerkingen en knipoogjes. Ik ben het zeker: hij is een meester‐ verleider, heeft dan ook al meer dan tachtig jaar ervaring.
Roger en ik. Ooit, als het leven ons zo gunstig is, bezoek ik hem ook elke ochtend. Roger en ik, we worden een powerkoppel. Ik duw zijn rolstoel voort wanneer hij niet meer kan wandelen. Wanneer hij aandoenlijk schudt en beeft, hij zijn koffie enkel gemorst naar zijn dunne lippen kan brengen, hij al lang niet meer kan sleutelen aan mijn auto. Ik zal hem liefhebben. Zoals je enkel een minnaar liefhebt. Ik zal hem verschonen wanneer het nodig is, zijn billen zorgzaam poederen, er een kus op planten voor ik een droge luier over zijn enkels, langs zijn magere kuiten rond zijn billen trek. Weet je nog, zal hij zeggen, die keer met onze Marcel, en hij zal verhalen vertellen over zijn zonen, hij zal me aanspreken alsof ik zijn eerste vrouw ben, zijn eerste vrouw die al lang wegkwijnde en ik zal knikken: ja, ja, ik weet het nog. Ik zal haar kleren dragen om hem te plezieren. Haar paarse schorten, haar sandalen met klittenband al zijn die drie maten te groot. Ik zal haar kant van het bed beslapen.

Zijn stem. Ik wil zijn zachte stem dicht tegen mijn oor hebben. Ik wil hem zien, voelen, dagelijks. Dus wanneer zijn zoon mij de sleutels van m’n auto overhandigt en ik betaal, laat ik mijn geldbeugel liggen aan de kassa. Maar dat is niet genoeg, besef ik wanneer ik naar huis rij. Mijn gespeelde vergetelheid kocht me amper vijf minuten extra bij de man waar ik van hou. Ik moet er langer kunnen zijn. Meer kunnen komen. Dus trek ik de blootliggende bedrading onder mijn stuur los. Er gebeurt niets. Het is niet genoeg. Ik duw mijn voet op het gaspedaal. Rij vijftig, zestig, zeventig, stuur me dan tegen het eerste paaltje aan dat ik zie. De airbag klapt niet open, mijn kaak landt tegen mijn stuur. Ik smaak bloed. Mijn motorkap is geplooid. Ik smaak overwinning. Ik schakel mijn auto uit, bel naar Rogers garage en vraag een takelwagen.
Neen, zeg ik wanneer een van de zonen het voor de derde keer vraagt, neen, ik hoef geen ziekenwagen. Rij me maar gewoon naar de garage, samen met mijn auto.
Dan strompel ik uit de takelwagen. Dan geef ik de autosleutels aan de zoon. Dan zeg ik oeps tegen Roger, die me traag maar vastberaden naar de ronde tuintafel leidt en mijn bloeden stelpt met een stuk staalwol. Hij gaat bij me zitten met nog een koffie verkeerd en ik zeg het. Ik zeg het want deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik wil al zijn verhalen gretig opzuigen. Ik wil aan zijn lippen hangen. Ik wil luisteren naar alles wat hij te zeggen heeft want er is weinig dat me meer roert dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Ik zeg Roger. Laten we morgenmiddag iets eten, jij en ik, in brasserie Het Hoekje. En als het even kan, ook de dag erna.

Schuimkoppen

"Drijfhout is een project van iStoires in samenwerking met de dienst Cultuur van de stad Oostende en bibliotheek Kris Lambert. 
Tussen 15 januari en 1 april 2017 konden auteurs zich laten inspireren door het werk van Léon Spilliaert en verhalen insturen die zich afspelen in Oostende."

En sluit ik de ogen, dan stel ik me de vloedgolf voor. Eerst trekt de zee zich terug zoals goochelaars hun tafellaken onder borden en glazen wegtrekken. Ze laat vissen verbaasd spartelen in het zand, legt een kwal bloot, een alg, een zee-egel en een schoen van een lang vergane visser want rubber is taaier dan mensenlevens. Dan davert ze, en ik beeld het me in. Dat het niet de wind is nu, die me bij de schouders neemt, neen. Dat zij het is, dat het de kolkende massa is die op me afkomt, de golf die alles zal meenemen. Eerst de vissen en de algen, dan mij, dan de schelpen en de strandcabines, dan de grote rode blokken op de dijk. Ze zal ze tillen als een kind in een woeste bui, tegen gevels van flatgebouwen aan gooien, ze zal ze laten tuimelen door de straten met het zelfde gemak waarmee de wind plastieken bekers doet opwaaien.

We trekken alles met ons mee, we zijn een razende stoet van kleur en ravage. De rode blokken, het zeewier, de vissen, de standcabines en ik: de Van Iseghemlaan in. Geparkeerde auto’s bollen achter ons aan. Struiken en jonge bomen in hun pas aangelegde perkjes, ze laten zich uit de aarde trekken. Daar gaan we! De onderwatercolonne van dansende blokken, auto’s, bomen en hup, voor ze het weet doet een oude vrouw met een looprekje mee. We tollen en botsen en schuren en laten ons door het wassende water de Louisastraat in stuwen. We stelen in het passeren terrasmeubilair. De vrouw met het looprek zwemt zich in een rotanstoel, plant haar ellebogen op een voorbij drijvende tafel en zegt: ‘Ik ben mijn hondje kwijt, wit is het, klein met korte poten en lange oren.’ ‘Wat zeg je?’, roep ik, ‘ik versta je niet.’ Ik rijd naast haar op een van de kunstig gedeukte rode blokken zoals een held in een film op zijn paard. Een hondje zwemt ons net voorbij en ze zegt: ‘Laat maar’.

‘Daar is het al.’ Ze duikt het achterna zonder haar stoel te lossen. We druisen het Wapenplein op, de golf en de schelpen, de strandcabines en de blokken, de auto’s en de bomen en de struiken, de vrouw die duikt achter haar hond en ik. Uit elke straat klotst het water krachtig het plein op. Uit elke brasserie drijven pannenkoeken met boter, potjes bruine suiker als bootjes, slagroom voegt zich als schuimkoppen toe aan de zee. Uitgestalde parasols laten zich optillen uit hun betonnen voeten. Ik stroom mee tot op het dak van de muziekkiosk, hou me vast aan de spits. De zee kolkt verder zonder mij. De vrouw en haar hond voorop, haar tafel en rotan stoel op de laadbak van een Jeep belandt. Daarna de bomen en de struiken als nieuwsoortig zeewier gevolgd door parasols als gigantische kwallen. Ik hoor de vrouw me nog naroepen: ‘Hij is een zeehond nu, maar dat is ook goed’. Ze heeft een pannenkoek uit het water gegrabbeld en eet smakelijk, de hond likt slagroom van haar been. Dag vrouw en hond, dag auto’s en bomen, strandcabines, struiken en pannenkoeken, twee stuks voor zeven euro vijftig.

Je voeten worden nat.’ Een mannenstem.
‘Het is te koud voor natte voeten’, zegt hij. Zijn praten trekt me terug naar waar ik sta. De vloedlijn, een rustige zee, bijna geen mens op het strand. Ik open de ogen. De man staat naast me, zijn hond snuffelt aan mijn hand.
‘Ja’, zeg ik, ‘maar ik moest even uitwaaien’.
Daar komt een golfje, het strekt zich uit tot het bijna niet meer bestaat, net dan raakt het mijn schoenen. Meer moet ik vandaag niet verwachten.
‘Je draagt beter mijn soort schoeisel, dan, als je uitwaait tot je enkels in het sop staan.’
Hij wijst naar zijn hoge rubberlaarzen, ik glimlach.
‘Roger’, zegt hij. Hij schudt mijn hand, hard en eelterig. Ik knik en zeg mijn naam.
‘Ik was aan het vissen’, zegt hij. ‘Maar het hoogwater is te lang voorbij, en mijn hond is het beu.’ Hij krabt achter de oren van het zwarte beest.
‘Veel gevangen?’, vraag ik. En ik stel het me voor, dat hij zegt: ‘Ja. Twee parasols en zeven pannenkoeken. Het wordt een gezellige namiddag thuis’.
Maar dat zegt hij niet, hij zegt: ‘Ja. Wat scharren en een griet.’ Ik knik.
‘Daar sta ik’, zegt hij. Hij wijst naar zijn hengels verderop, opgesteld als een tipi zonder doek.
‘Ik ga opkramen. Hou je voeten droog, meisje. De winter is nog niet voorbij.’
‘Doe ik, Roger’, zeg ik. En ik zet een stap achteruit wanneer een schuimkop het zand van mijn zolen probeert te likken. Ik aai de zwarte hond en draai me om.
‘Wat staat nog op het programma’, vraagt Roger.
‘Opwarmen’, zeg ik. ‘Een pannenkoek, misschien.’ En ik wandel van het water weg.
Over het harde zand, dan het zachte. De trappen op naar de dijk. Voorbij de grote, rode blokken de Van Iseghemlaan in, de Louisastraat door naar het Wapenplein. Tot aan de overdekte terrassen die de zomer nabootsen met warmtekanonnen. De pannenkoeken komen gewoon via een ober op mijn tafel en niets drijft behalve de slagroom in mijn koffie.
Het is de enige schuimkop die me vandaag zal kussen.